Gezond verstand #5: Negeer de angel, luister naar de engel

Geschreven door Diedelinde Maene, Brugse met een boontje voor het Hoge Noorden. Ze vertoeft tijdens haar vrije tijd het liefst met haar hond in een bos, of met haar neus in een boek. 

IJsland. IJskoud land, ja. Eeuwen op mijn bucket list, nu was het er eindelijk van gekomen. In mijn dromen avonturierde ik 's zomers het eiland rond per stoere 4x4, ontmoette ik vrijdenkende hedendaagse vikings met obligate baarden, klonken we onder de middernachtzon op het wilde leven, plonsden we onbezorgd in een warmwaterbron temidden een verlaten landschap met slechts een handvol schapen en veelkleurige paarden als toeschouwers, en keerde ik huiswaarts met een valies vol goesting in een retourtje Reykjavik. Kortom: ik zou genieten met volle teugen van de vrijheid met grote V. 

Mijn beperkte financiële middelen en moeilijk te manoeuvreren vakantiedagen bleken een foute combinatie om het droomscenario in realiteit om te toveren. De langverwachte trip werd uitgesteld tot oktober, wat niet meteen garant stond voor een été indien. De zon scheen verraderlijk fel, maar bracht het kwik nauwelijks boven het vriespunt. Het hotel was zijn naam 'Cabin' waardig: ik, nochtans vaak mini genoemd, kon in mijn tweepersoonskamer annex badkamercel amper mijn kont keren. Tijds- en geldgebrek noopten me om alle beloofde hoogtepunten in een kleine week te proppen en de toerist uit te hangen in het zog van hordes Amerikanen en Aziaten. Walvissen, geisers, watervallen, noorderlicht: go-go-go!



Op de toerbus richting Golden Circle vond ik nog net een plek naast een naar look stinkende dikzak die de rondrit het uitgelezen moment vond om een goeie tuk te doen. Terwijl ik het - toegegeven - adembenemende voorbijglijdende landschap bewonderde, hoorde ik tussen het gesnurk van mijn buurman door een bekende tongval. Vlak achter mij zat een oervlaams koppel van middelbare leeftijd. Zo'n twee-eenheid, weetjewel, het klassieke echtpaar dat alles netjes voor elkaar heeft. Even was ik gecharmeerd (dan toch nog Belgen hier en nog wel West-Vlamingen!), tot ik focuste op wàt ze zeiden, zich duidelijk niet bewust van de mogelijkheid dat ik hen kon verstaan. 'Mo gow zeg Roger, èjje da gezien, dedie die vo joen zit is ier hèèl ollèèène. Oe triestig is da!' 'Jamoja maatje, 't moet zien dat er eentwat aan schèèlt éé!' 

Gegrinnik.

Oke. Ik was gedegradeerd van een vrijgevochten, zelfstandige jongedame met pit die helemaal alleen de oceaan overvloog, tot een zielige oude vrijster. Woorden zijn angels. Deze angel kwam diep. Mensen zijn duivels; dit duivelspaar zat de rest van de week op mijn linkerschouder te grinniken. 

Een eerste jacht op het noorderlicht had niets opgeleverd. Een tweede en laatste herkansing om toch een glimp op te vangen van het wondermooie natuurspektakel greep ik de avond vóór de terugvlucht, die de volgende ochtend ontiegelijk vroeg op de planning stond. De onvermijdelijke toerbus bracht ons naar een in onbruik geraakt militair domein. Daar stroomden nog vele bussen en jeeps toe en staarden we met zijn allen urenlang de duisternis in, wachtend op een flits, verkleumend, voetenstampend, tevergeefs. Terug naar de respectievelijke hotels. Mijn enige troost was dat ik in Cabin tenminste nog een bakje hete koffie kon drinken voor ik weer afdroop naar België.



Aan de balie stond een dronkaard te lallen. Hij was met vrienden op de lappen geweest, maar wenste zijn bedstee nog niet op te zoeken. Uit de verveelde gezichtsuitdrukking van de onthaaldame die me uitcheckte, kon ik afleiden dat de laller haar al een hele tijd bezighield. Hij had duidelijk nood aan een babbeltje. Aan aandacht. Aan een lief woord. Zij zou het hem niet geven. Hij zocht contact met enkele andere hotelgasten, die hem straal negeerden. Uiteindelijk vroeg hij of hij mij een koffie mocht aanbieden. Dronken of niet, een echte gentleman. Te moe om hem af te wimpelen, stemde ik toe. 

Er ontspon zich in sneltempo (want de shuttle naar de luchthaven kwam eraan) een diepgaand gesprek en de zatlap ontpopte zich tot luisterend oor. Ier was hij, en hij heette McGregor, zoals de bokser. Toen de taxi arriveerde, stopte hij mijn bagage in het daartoe bestemde rek, greep me vast en keek me recht in de ogen. 'You're a good woman, you. You're a beautiful and a brave woman, you. And don't let anyone tell you otherwise.' 

McGregor is de engel op mijn rechterschouder, die me uiteindelijk toch het licht liet zien. Hij heeft gelijk. Ik ben goed genoeg. Ik ben goed tout court. Ik ben mooi. Ik ben dapper. Ik ben ik. Negeer de angel, luister naar je engel.

Op Zaventem aan de bagageband botste ik bijna tegen het "Perfecte Paar" aan. Ik trakteerde ze op een vette knipoog.


Woorden liegen nooit

{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x