Gezond verstand #11: De zin om te leven

Geschreven door Jan Charles, mijn bevlogen oud-leerkracht Nederlands, theatermaker, corona-overwinnaar en met beide voeten - soms diep - in het leven. 

26 mei 1968. Het had de mooiste dag van mijn onbezorgde leventje moeten worden. Die van een 13-jarig knulletje, wereldvreemd en zat van geluk, omdat hij met zijn oudste zus en haar lief naar de Heizel mocht waar ‘zijn’ Club Brugge de bekerfinale van Beerschot won, na verlengingen en veel strafschoppen. Van de busreis terug naar Brugge herinner ik me niets. Die moet euforisch geweest zijn. Wel van de wandeling door de zwoele meinacht naar de trein die ons weer naar Roeselare zou brengen. Waar jij, papa, aan het station op ons wachtte.

Ik heb me later vaak afgevraagd: ‘Wat als het nu vroeger was gebeurd?’ Dan hadden wij daar heel lang onzeker staan wachten. Of, wat als het gebeurd was toen je ons met de auto naar huis bracht. Of als je langer aan mijn kamerdeur vrolijk met me gepraat had over de finale. Als mama niet geroepen had: ‘André, laat hem, hij moet morgen vroeg naar school.’ Dan was je voor mijn verbijsterde ogen ineengezakt. Maar mama sprak die woorden, je verdween naar jullie kamer, kroop in bed, kreeg een kramp en je was op slag dood.

Ik weet niet of ik me je nog zou kunnen voorstellen zonder de foto’s. Je was zo helemaal anders dan ik: veel groter - 1,86 meter - en veel rustiger ook. Zelden uithuizig: je verzamelde postzegels begot en zocht de stamboom op van onze familie. Je dronk nooit alcohol. Je liefde voor mama was stil en ongedwongen. De zachte gloed ervan straalt nu nog altijd op ons af. Ooit hoorde ik op de radio Piaf J’attendrai zingen en ik dacht dat ze over jou zong. André Charles.


Je was ook geen onverdienstelijk goochelaar. Dokter Ancha, je artiestennaam. Ik herinner me dat we nu en dan een optreden van je mochten bijwonen: de illusie op het podium, de fascinatie van het publiek. Misschien heeft het me, meer dan ik vermoed, naar het theater gedreven. In de dagen voor de begrafenis glipte ik vaak de kamer binnen waar je lag opgebaard. Om te zien of het allemaal wel echt was. Of het niet je ultieme goocheltruc was. Ik opende voorzichtig je oogleden, kuste je voorhoofd en streelde je wangen die steeds kouder werden. Op een dag liep er een dun streepje waterig bloed uit je mondhoek. Ik dacht dat je weer zou gaan leven.

Mama lag wekenlang wezenloos in het ziekenhuis. Wij leefden bij tantes en nonkels, verward en versplinterd. Pas toen mama weer thuiskwam, konden we het puin ruimen dat je dood achterliet. Als ik later beweerde dat ik je niet gemist had in mijn jeugd, kon mama erg kwaad zijn. ‘Het is een compliment voor jou’, zei ik dan. Natuurlijk heb ik je gemist, het meest nog toen ik vader werd of zelf de vijfenveertig naderde. Ik verjoeg mijn doodsgedachten door heel energiek te gaan leven. Optimisme voelde niet aan als een morele plicht, het was een levensstijl. Ik wou niet alleen mezelf, maar alle anderen ervan overtuigen dat de dood ons niet kon deren.

Op mijn bureau staat jouw zwart-witfoto. Soms kijk ik je weemoedig in de ogen en voel ik me schuldig omdat ik nu al meer dan twintig jaar langer leef dan jij. 


In die twee decennia is de dood een vertrouwde gezel geworden. Maar nog altijd een ongenode gast. Ik weet niet of het vooruitzicht op een definitief einde mijn leven zin geeft. Met dat inzicht worstel ik nog. Maar ik hoop dat mijn dood in elk geval zin zal geven aan het leven van anderen. Zin om te leven. Dat is wat jouw bruuske dood mij alvast leerde. Dat het allemaal ineens afgelopen kan zijn. Dat een dag uitzonderlijk mooi kan beginnen met een zon in nevelen, vrolijk fluitende vogels en de geur van zinderende beloftes. En dat hij dan kan eindigen in totale ontreddering.


Woorden liegen nooit

{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x